fullscreen

Dans mee

Dans je gezellig met ons mee?

Oefening 1: Opwarming


 

Ga samen in een kring staan. U doet een beweging met één lichaamsdeel voor. De kinderen doen de beweging na. Herhaal de beweging een paar keer zodat de kinderen de beweging goed onder de knie hebben. Daarna doet u een andere beweging voor.

Suggesties voor bewegingen zijn:

Hoofd                    links en rechts kijken, ja knikken, nee schudden, oor naar schouders bewegen, voorzichtig                                kleine cirkels draaien

Schouders             op en neer, voor en achter, draaien, schudden, samen of apart

Armen                    heffen, draaien, zwaaien, schudden in verschillende richtingen

Heupen                  swingen in diverse richtingen, draaien als een hoelahoep, billen losschudden > zorg er bij                                 deze heupbewegingen voor dat de knieën licht gebogen zijn

Benen                     buigen en strekken, tillen vanuit de knie of de voet, stappen op de plaats, heen en weer                                     wiegen

Voeten                   tenen wiebelen, voet losschudden, voet naar je toe en van je af bewegen, op de hakken                                       lopen, op de tenen lopen, van de hak naar de tenen bewegen

 

 

Oefening 2: dansen in de slaapkamer

 

Inventariseer met de kinderen wat een dekbed nu eigenlijk is. In welke kamer ligt er een dekbed? En waarop ligt een dekbed? Wat ligt er eigenlijk nog meer in of op jouw bed?

In deze oefening kiezen jullie 4 verschillende ‘bedaccessoires’ uit. Voorbeelden zijn: een dekbed, een kussen, een matras, een pyjama, een knuffelbeer, het bed, etc. Bij elke accessoire bepalen jullie een beweging. Je knuffelbeer geef je een dikke knuffel, met het kussen kun je een kussengevecht houden, je nieuwe pyjama doe je heel voorzichtig aan, maar waarschijnlijk weten de kinderen en nog wel veel mooiere bewegingen te bedenken. Oefen de verschillende bewegingen achter elkaar, eerst zonder en later met muziek. U kunt ‘afstand’ nemen door geen bewegingen meer voor te doen, maar de kinderen verbaal te begeleiden.

 

Oefening 3: ik kan niet slapen…

 

Ken je dat? Je wilt wel slapen, maar je ligt gewoon niet zo lekker. Je bent steeds op zoek naar een fijne slaaphouding. Inventariseer welke bewegingen de kinderen dan allemaal maken in hun bed.

Suggesties:

  • draaien
  • kussen opschudden
  • dekbed van je aftrappen
  • zuchten van irritatie
  • een nieuwe houding zoeken
  • onder je dekbed verstoppen
  • rechtop zitten en weer neervallen
  • andersom in bed liggen
  • je hoofd onder het kussen leggen
  • heel hard je ogen dichtknijpen
  • springen op je matras in de hoop dat je moe wordt

De kinderen liggen allemaal in hun eigen bed. Op uw teken zoeken ze steeds een nieuwe manier om in slaap te komen. Dit teken kan tekst zijn (slaap lekker), maar ook een ander geluid (van een muziekinstrument, een klap in de handen, een zucht/gaap). Probeer met ondersteuningsteksten de kinderen zoveel mogelijk te stimuleren in het zoeken naar nieuwe bewegingsmogelijkheden. Let op: ze blijven in hun eigen bed liggen.

 

Oefening 4: mijn droomwereld

 

Waar droom jij over? In welke wereld kom jij terecht als je droomt? Lijkt deze op onze wereld of is dit een hele andere? Wat gebeurt daar allemaal? Hoe beweeg je in jouw droomwereld?

Nadat enkele droomwerelden besproken zijn, worden er 3 uitgekozen waar jullie samen op bezoek gaan. Iedereen begint dicht bij elkaar en gaan tegelijkertijd de eerste droomwereld in. De kinderen mogen daarna door de hele ruimte verplaatsen in deze droomwereld.

Op uw teken komen de kinderen weer dicht bij elkaar om naar de tweede droomwereld te gaan. Herhaal dit vervolgens ook voor de laatste droomwereld.

Enkele opties:

  • Bewegen ze in deze wereld hoog of laag?
  • Maken ze in deze wereld hele grote of juist hele kleine bewegingen?
  • Is dit een snelle of een langzame wereld?
  • Zijn er in deze wereld ook andere mensen/dieren of spullen die je tegenkomt of moet ontwijken?

 

Oefening 5: de droomtovenaar

 

De kinderen mogen nu zelf kiezen in welke van de 3 droomwerelden zij gaan dansen. Wanneer de muziek stopt, maken zij een standbeeld in hun droomwereld. U moet aan dit standbeeld kunnen zien in welke droomwereld zij zijn.

U gaat hen vervolgens, net als in de voorstelling, be-droom-toveren in een dier door het volgende versje op te zeggen:

Droom, droom, droom jij maar
Ik ben een echte droomtovenaar
Droom, dans en heb plezier
Ik ga je omtoveren tot een dier

U noemt vervolgens een dier waarin de kinderen betovert worden. Wanneer de muziek weer speelt, bewegen alle kinderen als dat dier door de ruimte. Wanneer de muziek stopt, maken ze wederom een standbeeld, maar dit keer als het dier waarin ze betovert zijn.

Herhaal dit een aantal keer. De laatste keer is het versje iets anders:

Droom, droom, droom jij maar
Ik ben een echte droomtovenaar
Droom, dans en heb plezier
Nu heb ik weer allemaal kinderen hier

 

Oefening 6: wij zijn de droomtovenaar

 

Oefen met de kinderen de beide versjes uit oefening 4.

De kinderen maken nu tweetallen. Van ieder tweetal gaat er 1 kind op de bank zitten en blijft het andere kind op de vloer.

De kinderen op de vloer zijn de dansers, de dromers. Deze dromers dansen heerlijk door hun (zelfgekozen) droomwereld. Wanneer de muziek stopt, maken zij een standbeeld.

De kinderen op de bank zijn de droomtovenaars. Wanneer de muziek is gestopt en de dromers als standbeeld staan, zeggen de droomtovenaars het eerste versje op. Daarna komen zij van de bank en lopen naar hun maatje toe. Ze fluisteren heel zachtjes een dier in het oor van hun dromer. Daarna gaan ze weer op de bank zitten.

Als de muziek weer begint, dansen de dromers verder als het dier dat hen is ingefluisterd. Stopt de muziek, dan maken ze als dat dier een standbeeld. De droomtovenaars toveren de dromers dan snel weer om met het 2de versje, zodat ze nog 1 keer heerlijk kunnen dansen in hun droomwereld.

Daarna wisselen de groepen om.

 

 

Plaats reactie